Erfgoedrassen logo

Vruchtgroenten

Vroeger, toen de aubergine nog een sierplant was, de komkommers bitter waren en de augurken stekels hadden... Vruchtgroenten vinden het prettig om wat warmer te staan, waardoor de ontwikkeling van de glastuinbouw in Nederland een belangrijke rol speelde in hun teelt. Zo werden meloenen onder platglas gekweekt; de voorloper van de kassen zoals we die nu kennen.

Op deze pagina lees je over:

  • Aubergine
  • Augurk
  • Komkommer
  • Meloen
  • Paprika
  • Tomaat

Aubergine (Solanum melongena)

Aubergine behoort tot de nachtschadefamilie, net als gewassen zoals tomaat en aardappel. Nikolaj Vavilov (de bekende Russische plantkundige, plantveredelaar en geneticus van de 19e en 20e eeuw) heeft subtropisch en tropisch India en China als oorsprongs-gebieden van aubergine geïdentificeerd.

Rond de zestiende eeuw was de aubergine al bekend in Noordelijk Europa, maar werd toen nog voornamelijk als een sierplant gezien. Toen werd nog de naam Eierplant gebruikt, vanwege de kleine eiervormige witte vruchten die bepaalde rassen produceerden. Het heeft een hele tijd geduurd voordat aubergine als vruchtgroente in Nederland aansloeg. Pas rond de vroege jaren zeventig werden de eerste Nederlandse aubergines geteeld in gestookte kassen in het Westland. Buiten het Westland kenden mensen het niet en was er in eerste instantie weinig interesse in (wat de boer niet kent…). Door de tijd heen is de Nederlander aubergines meer gaan waarderen en gaan eten, waaronder de erfgoedrassen Claresse, Halflange Violette en Lange Violette Vroege.

Aubergine erfgoedrassen

Augurk (Cucumis sativus)

De oude augurkrassen, zoals Kleine Groene Scherpe, hadden op de vruchthuid nog stekeltjes. Om beschadigingen tijdens transport te voorkomen, werd er veredeld op een gladdere vruchthuid. Ook voor resistentie tegen de schimmelziekte vruchtvuur werd veredeld, waar Venlo'er Export en Baarlosche Nietplekker het resultaat van zijn.

Meer over augurk

Teeltcentra in Nederland

In 1752 werden de eerste troskomkommers, ook wel augurken, geteeld in Nederland. Ze werden voornamelijk in de omgeving van Venlo, Roermond, Noord-Brabant en de Beemster in de volle grond geteeld. Vanaf 1962 kwamen er hybride rassen die geschikt waren voor teelt onder glas.

Om te conserveren

De meeste augurken werden niet vers geconsumeerd, maar werden als geconserveerd product verhandeld. In de augurkenveredeling lag daarom een grote focus op de eisen van de verwerkende industrie. Ze werden meestal ingemaakt en aangeboden als 'zoetzuur'. De bereiding omvatte het wassen, sorteren op lengte, plaatsen in glazen potten of blikken, toevoegen van kruiden en een 'opgiet' van azijn, suiker en zout. Vervolgens werd het geheel verwarmd tot 80⁰C voor langere houdbaarheid, wat de karakteristieke geel-bronsgroene kleur aan de ingemaakte augurken gaf.

Augurk erfgoedrassen

Komkommer (Cucumis sativus)

Rond 1500 werden in Europa, ook in Nederland, vooral gele komkommers geteeld. Groene komkommers golden destijds als onrijp en waren daardoor weinig geliefd. Gele rassen, zoals Aurea, zijn relatief goed bestand tegen lagere temperaturen en werden in het begin van de 20e eeuw in Nederland vaak onder platglas geteeld. Dit waren lage kassen van ongeveer een meter hoog, waarbij de planten horizontaal over de volle grond onder glas groeiden. Deze teeltwijze zorgde voor een gunstiger microklimaat en bevorderde de groei. Met de verdere ontwikkeling van de glastuinbouw werden kassen geleidelijk hoger en veranderde ook de teeltmethode.

Oorspronkelijk waren komkommers bitter en bevatten ze veel zaden. Door veredeling zouden in Engeland rond 1586 de eerste zaadarme vruchten zijn ontstaan. De sterke bitterheid werd echter pas veel later, rond 1960, grotendeels uit moderne rassen verwijderd. Ook de inmiddels gangbare groene kleur van komkommers is relatief recent. Tot aan de Tweede Wereldoorlog gaven Nederlandse consumenten nog de voorkeur aan gele en witte komkommers, die vaak in bakken werden geteeld. Regionaal bestonden daarbij duidelijke voorkeuren: gele komkommers waren populair in het noorden en oosten van het land, terwijl in het zuiden vooral witte rassen werden gewaardeerd. Groene komkommers, afkomstig uit Engeland, werden aanvankelijk vooral voor de export geteeld en vonden pas later hun weg naar de binnenlandse markt, zoals bij het komkommerras Spiers.

Komkommer erfgoedrassen

Meloen (Cucumis melo)

Meloenen behoren, net als komkommers, tot de familie van de Cucurbitaceae (komkommerachtigen). In Nederland werden meloenen vóór de Tweede Wereldoorlog liggend geteeld in broeibakken onder zogenaamd platglas. Ook het erfgoedras Witte Suiker werd op deze manier geteeld.

In 1939 bereikte de Nederlandse meloenteelt een hoogtepunt, met een areaal van circa 230 hectare en een veilingaanvoer van ongeveer 7 miljoen vruchten. Daarna nam de teelt geleidelijk af, mede door toenemende aantastingen van Fusarium (verwelkingsziekte). Het belangrijkste productiegebied lag in Zuid-Holland, met name in het Westland, waar de glastuinbouw sterk ontwikkeld was.

Vanaf de jaren 1970 zette de daling verder door en werd de binnenlandse productie steeds meer vervangen door import. Nederlandse meloenen hadden moeite om te concurreren met meloenen uit zuidelijke landen, waar het warmere klimaat gunstiger is voor de ontwikkeling van smaak en suikergehalte.

Meloen erfgoedrassen

Paprika en peper (Capsicum annuum)

Paprika en peper behoren tot de soort Capsicum annuum, een gewas met een opmerkelijk brede variatie aan vormen, kleuren en smaken. Binnen deze ene soort vallen zowel zoete paprika’s als scherpe pepers. Oorspronkelijk is dit gewas afkomstig uit Midden- en Zuid-Amerika, waar het al duizenden jaren werd gebruikt. Pas vanaf de late 16e eeuw werd het gewas in Europa geïntroduceerd, waarna het zich geleidelijk verspreidde en lokaal werd aangepast aan verschillende klimaatomstandigheden en gebruiksvormen.

Het erfgoedras Westlandsche Lange Roode is ontwikkeld vóór de opkomst van moderne hybriden en minder uniform dan moderne rassen, maar zeker niet minder interessant om in de moestuin te hebben.

Paprika erfgoedras

Tomaat (Solanum lycopersicum)

In de vorige eeuw maakte de tomaat een opvallende ontwikkeling door: van een wat exotische en met argwaan bekeken “liefdesappel” tot een vast onderdeel van het dagelijks menu. Rond 1900 waren tomaten nog geen vanzelfsprekendheid op tafel; ze werden vooral gezien als luxeproduct en kwamen in uiteenlopende vormen, kleuren en smaken voor, zoals ook oudere rassen laten zien. Veel van deze rassen waren minder uniform dan de moderne tomaat, maar juist rijk aan variatie in vorm, grootte en smaak.

In de loop van de twintigste eeuw nam de populariteit snel toe, mede door verbeterde teeltmethoden en een groeiende vraag naar verse groenten. Tegelijkertijd verdwenen veel oude rassen geleidelijk uit de commerciële teelt, doordat selectie steeds sterker gericht werd op opbrengst, houdbaarheid en uniformiteit, ten koste van diversiteit.

Meer over tomaat

De ontwikkeling van de kas

De opmars van de tomaat is nauw verbonden met de ontwikkeling van de kas, vooral in het Westland. Tijdens de economische crisis tussen 1880 en 1890 zochten tuinders naar nieuwe strategieën en durfden zij te experimenteren. In deze context begon Hilgert Camfferman uit Naaldwijk in 1891 met de teelt van tomaten onder glas, met zaden uit Engeland. De eerste kassen waren eenvoudige constructies: schuine glaswanden tegen stenen muren, gericht op het zuiden, waarbij de muur warmte opsloeg en zo een gunstig microklimaat creëerde.

Opkomst van de glastuinbouw

Wat begon als bescherming voor druiven, groeide uit tot steeds ingenieuzere kassen met meer licht, ventilatie en later verwarming. Innovaties zoals de ‘plofkachel’ in de jaren vijftig, die naast warmte ook CO₂ leverde, zorgden voor een sterke productiviteitsstijging. Zo ontwikkelde de kas zich van een eenvoudige beschutting tot een technologisch hoogstandje, en legde zij de basis voor de internationale positie van de Nederlandse glastuinbouw in de twintigste eeuw.

Tomaat erfgoedrassen

Share:
email